Kennen jullie dat gevoel? Dat het glazuur van je kiezen bijna barst bij het gebruik van bepaalde woorden? Dat heb ik bij het woord ‘Participatie’! Wie moeten er participeren? Waar? Hoe? Waarom? Ik was onlangs te gast bij de Dag van de Participatie, georganiseerd door het OFL, het Ministerie van I&W en het Ministerie van BiZa. Een zaal met 400 ambtenaren en aanverwanten, prachtig en inspirerend programma, prima verzorgd en toch bleef het schuren.

Omdat ik ook was uitgenodigd iets te zeggen over de G1000 en onze ideeën dwong het me om wat langer stil te staan bij dat gevoel en erover door te denken. Dat leidde tot de volgende observatie: Participatie is feitelijk een behoefte van de overheid, van het ‘systeem’, en niet van de burger. De overheid ziet haar mandaat afbrokkelen, zoekt naar manieren om dit mandaat te repareren en het draagvlak voor maatregelen en beleid te verbreden. Zij wil dus iets van de burger ‘hebben’. En gedraagt zich vervolgens alsof zij de burger iets geeft. Nou, die burger is niet gek! Een deel van de burgers, in het geval van de G1000 zo’n 5%, denkt: ’Nou ja, ik kan ze toch niet laten stikken. Bovendien, het is toch fijn dat ik mag zeggen wat ik ervan vind, het onderwerp is best belangrijk. Misschien doen ze er wel wat mee.’ En meldt zich aan voor wat in ambtelijke kring een ’participatietraject’ heet. Ze ‘worden geparticipeerd’, zoals tijdens de dag gekscherend werd gesproken. Maar met hele andere behoeftes dan de overheid!

We hebben ooit eens op een rijtje gezet wat de deelnemers aan de G1000-en belangrijk vinden. En dit is waar zij mee naar voren kwamen:

Wat je hier ziet zijn alle woorden die te maken hebben met relatie. In de wereld van de burgers, de ‘leefwereld’, draait het daarom: om relaties, om hoe je je verhoudt tot elkaar en hoe je dat goed kunt doen. Vrij naar de filosoof Habermass: de bouwstenen van de leefwereld – verbinding – naast, of misschien beter tegenover, de behoeften van de systeemwereldordening, efficiëntie en mandaat.   Hoe kunnen deze beide werelden samen optrekken, waarbij de behoeften van beideaan bod komt?  Om te beginnen is het belangrijk te accepteren dat het om twee gescheiden werelden gaat, met elk een eigen dynamiek. Om deze werelden te verbinden kun je als professional in de systeemwereld natuurlijk uitreiken en proberen verbinding te maken. Omdat je ook een persoon bent, zal dit best lukken. Dit zal echter altijd op persoonlijke titel gebeuren, op basis van jouw kwaliteiten als persoon. Met als resultaat dat het systeem jou regelmatig zal overrulen en dat met jouw vertrek ook de verbinding die je onderhield verdwijnt.

Voor een meer duurzame verbinding, een verbinding die niet afhankelijk is van personen, is een nieuwe ‘Tussenruimte’ nodig, een ruimte die verbonden is met beide werelden, waarin de werelden op basis van gelijkwaardigheid participeren. Een Tussenruimte die heel precies, zorgvuldig en transparant vormgegeven wordt, om ervoor te zorgen dat de verbinding aan weerszijden intact blijft. En beide werelden die tussenruimte herkennen als iets van henzelf.   In de ‘Tussenruimte’ gaat het om participatie vanuit beidewerelden op basis van gelijkwaardigheid, waarbij ieders autonomie gerespecteerd wordt en er sprake is van dialoog, van het zoeken naar de verbinding en de gezamenlijkheid. In die gezamenlijkheid die in de Tussenruimte kan ontstaan ligt enerzijds de kern van de gemeenschap en anderzijds de basis voor de legitimiteit van het ‘systeem’.   Wij leggen ons toe op het ontwikkelen van die ‘Tussenruimte’. De afgelopen jaren hebben we al experimenterend de verbinding met beide werelden gevonden en ontwikkeld tot een robuust model, wat ook overeind blijft met een honderden deelnemers. En we hebben veel geleerd:

  • Als je impact wilt hebben in het ‘systeem’, dan zul je de ‘Tussenruimte’ samen met de overheid als partner moeten creëren. En de overheid zal die ruimte samen met de burgers moeten creëren;
  • Je zult moeten zorgen voor uitkomsten waar jouw partner iets mee kan. Dat betekent voor de burger concrete, zichtbare uitkomsten. Voor de overheid ’talige’ uitkomsten, die aansluiten op een ’geopend’ beleidsspoor.
  • Je zult moeten zorgen dat het proces en daarmee de resultaten in de ‘Tussenruimte’ niet van buitenaf beïnvloed worden, als de deelnemers dat niet willen. Dat maakt het essentieel om de ‘Tussenruimte’ duidelijk te begrenzen. En met elkaar afspraken te maken over de manier van invullen van de ruimte. De volgende waarden zijn daarbij voor ons leidend:
    – Autonomie – deelnemers leiden zichzelf;
    – Gelijkwaardigheid – elke stem telt even zwaar;
    – Dialoog – zoeken naar overeenstemming, niet naar verschillen;
    – Eerlijk – iedereen heeft een gelijke kans om mee te doen – loting;
    – Samen – het hele systeem zit in de zaal;
    – Transparant – het is voor iedereen helder en navolgbaar hoe keuzes en beslissingen tot stand komen;
    – Veilig – er zijn duidelijke spelregels en iedereen houdt er zich aan.
  • Zorg dat de resultaten van de dialoog in de ‘Tussenruimte’ publiekelijk besproken worden. En als het gebeurt, dat het systeem publiekelijk verantwoord waaromhet uitkomsten naast zich neerlegt;
  • Het is verstandig om de afspraken vooraf vast te leggen in een partnerovereenkomst, waaraan alle partijen zich committeren.

Een hele lijst. Je zult echter merken als je er mee aan de slag gaat, dat deze begrippen dichter bij je liggen dan je in eerste instantie misschien dacht: We zijn tenslotte allemaal burger!

Share This