G1000 en de terugtredende overheid

De G1000 is een resultaat van en mogelijk ook een verdere aanjager van een verschuiving in verantwoordelijkheden tussen de overheid en de samenleving. We kunnen de G1000 zien in het licht van een dubbele beweging: zowel binnen de overheid als van de overheid weg. Enerzijds wordt een fors aantal taken, met name in het sociale domein, van het Rijksniveau naar het lokale niveau gedecentraliseerd, anderzijds gaan (georganiseerde) burgers door trends van vermaatschappelijking en actief burgerschap zelf taken uitvoeren die voorheen ten dele of geheel bij de overheid lagen. 

In de discussie over de terugtredende overheid, die in de bestuurskunde wordt gevoerd, maar vooral ook in politieke kringen en door diverse adviesraden van de regering, zijn twee perspectieven te herkennen. Het eerste legt de nadruk op een andere rol en opstelling van de overheid, waarbij sturen en reguleren plaats maakt voor faciliteren en stimuleren. Tegenover deze graduele verschuiving staat een tweede perspectief waarin de overheid zich daadwerkelijk moet terugtrekken en een aantal taken niet meer moet uitvoeren: niet een andere overheid, maar minder overheid.

In de praktijk, zeker in het lokaal bestuur, zien we dat anders en minder samen optrekken. De decentralisaties zijn daar bij uitstek een mooi voorbeeld van: ten opzichte van de huidige taken gaat de gemeente immers meer doen en neemt de omvang van de begroting toe, maar er is minder budget in totaal dan voorheen op Rijksniveau. Tegelijk is er een zoektocht in veel gemeenten gaande om meer ruimte aan initiatieven uit de samenleving te geven en doen lokale besturen hun best zich bescheidener op te stellen en ruimte te geven aan de samenleving. In veel van de recente collegeprogramma’s zijn verwijzingen naar eigen kracht, zelforganiserend vermogen, bewonersinitiatieven e.d. te vinden.

Mijn vraag is waar in deze trends de G1000 te plaatsen is. Waarbij de volgende vragen hopelijk aanknopingspunten bieden:

  • Welke maatschappelijke issues worden geagendeerd in de G1000s?
  • In hoeverre zijn deze issues te linken aan de discussie over publieke taken/ overheidstaken en vermaatschappelijking c.q. actief burgerschap?
  • Hoe zit het met eigenaarschap en zeggenschap? Wie gaat dit vervolgens doen, bij wie ligt het initiatief, wie voert het uit? M.a.w. hoe is de follow up na de G1000?
  • Hoe veranderen hierdoor de verhoudingen tussen markt-overheid-samenleving (met de nadruk op de laatste twee, maar ook met belangstelling voor verbinding tussen samenleving en markt)?

Qua onderzoeksaanpak denk ik aan een combinatie van observaties (tijdens de G1000s), inhoudsanalyse (van de voorstellen die worden geagendeerd) en interviews (met deelnemers en politici/ambtenaren).

Harmen Binnema (USBO), 1 juli 2014

Bijdrage Harmen Binnema (UU) word

Share This